Zoeken
  • Admin

Bedrijfsopvolgingsregeling gold niet voor recent verkregen zelfstandige onderneming

mr. J. Beers, Maquis


Volgens de RechtbankNoord-Holland gold de bedrijfsopvolgingsopvolgingsfaciliteit niet voor een zelfstandige onderneming die de dochter-bv recent (minder dan 5 jaar gelden) had verworven.


In het berechte geval had Bert 20% van de aandelen in Y holding bv geschonken gekregen van zijn vader. Ruim een jaar vóór de schenking had één van de dochter-bv’s (Z bv), die behoorde tot het concern, de activa en passiva gekocht van een derde. Bij de overdracht vormden de activa en passiva een zelfstandige materiële onderneming (vgl. art 3.2 Wet IB 2001).

In geschil was of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) voor de Successiewet van toepassing was op de waarde van de aandelen voor zover deze viel toe te rekenen aan de aangekochte activa en passiva. Volgens de inspecteur was de BOF hierop niet van toepassing omdat de activa en passiva ten tijde van de schenking nog niet ten minste vijf jaar tot het concern behoorde.

De Rechtbank stelde de inspecteur het gelijk. De Rechtbank overwoog dat op grond van art. 35d SW de schenker voor toepassing van de BOF ten minste 5 jaar ondernemer moet zijn geweest. Het gaat hierbij om een zelfstandige onderneming als bedoeld in art. 3.2 Wet IB 2001 of een gedeelte daarvan. Nu de vader ten tijde van de schenking nog geen 5 jaar ondernemer was met betrekking tot de verkregen activa en passiva in Z bv, werd voor dit gedeelte niet aan de bezitstermijn voldaan. Dit had tot gevolg dat de BOF in zoverre niet van toepassing was. Volgens de Rechtbank was niet van belang dat de activa en passiva na de aankoop was opgegaan in het concern en ten tijde van de schenking niet meer als afzonderlijke onderneming was te identificeren. Ook het argument dat geen sprake was geweest van enig misbruik, was volgens de Rechtbank niet van belang. Rechtbank Noord-Holland 19 februari 2019, nr HAA 17/4392, ECLI:NL:RBNHO:2019:1089


Commentaar Jan Beers Eerder in een soortgelijke uitspraak ging het om twee recent verworven deelnemingen die de holding aanhield. Ook hier oordeelde de Rechtbank dat de BOF niet van toepassing was op de deelnemingen, omdat hiervoor niet aan de 5-jaarseis werd voldaan.

Inmiddels is tegen beide uitspraken (sprong)cassatie ingesteld. A-G IJzerman heeft in beide zaken de visie van de Rechtbank gevolgd (zie ECLI:NL:PHR:2019:825 en ECLI:NL:PHR:2019:827).Volgens hem moet de bezitstermijn voor iedere objectieve onderneming afzonderlijk worden toegepast.

Ik vraag me af of het standpunt van de A-G wel in overeenstemming is met doel en strekking van de wet. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever met de bezitseis beoogt te voorkomen dat in het zicht van een schenking of overlijden (belast) privé- of beleggingsvermogen kan worden omgezet in vrijgesteld ondernemingsvermogen (vgl. TK 34552, nr E blz. 61). Hiervan lijkt in beide gevallen geen sprake te zijn.

4 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

© 2023 by Kant & Rider. Proudly created with Wix.com

  • Facebook Clean
  • Twitter Clean
  • White Google+ Icon
  • LinkedIn Clean