Zoeken
  • Admin

‘Ik-oma-clausule’ in testament was geen last maar een legaat

De Hoge Raad heeft onlangs een belangrijke uitspraak gedaan over de werking van een ik-oma-clausule in een testament.


In het berechte geval was oma in 1996 overleden. In haar testament had zij aan haar kleinkinderen een bedrag gelegateerd. Hierbij was een zogenaamde ‘ik-oma-clausule’ opgenomen. Deze bepaling luidde: ‘Ik legateer aan ieder kleinkind een onvoorwaardelijke vordering ten laste van hun tante (mijn dochter) van een zodanige grootte dat over de top van de contante waarde van de vordering van een kleinkind zoveel mogelijk een gelijk percentage aan erfbelasting wordt geheven als over de top van de verkrijging van mijn kind(eren).’

Op grond van het testament was tante aan ieder van de kleinkinderen (haar neefjes en nichtjes) een bedrag van € 104.423 renteloos schuldig. Dit werd na het overlijden vastgelegd in een schuldigerkenning van tante. Na het overlijden van tante in 2014 werden deze vorderingen opeisbaar en uitbetaald aan de kleinkinderen. De Rechtbank oordeelde dat de kleinkinderen over de vorderingen volledig erfbelasting waren verschuldigd op grond van art. 10 lid 1 SW, omdat in een economische zin sprake was van een ‘last’. De kleinkinderen waren het hier niet eens. Zij stelden dat sprake was een legaat en dat de verkrijging onder art. 10 lid 9 SW viel. Hierdoor zou de vordering slechts belast zijn voor zover deze hoger was dan hetgeen tante van oma had geërfd. Per saldo betekende dit dat per kleinkind slechts € 10.479 was belast. In cassatie werden de kinderen door de Hoge Raad in gelijk gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat uit testament van oma expliciet voortvloeide dat de kleinkinderen een onvoorwaardelijke vordering (legaat) hadden verkregen op hun tante. Uit het testament volgde niet dat de verkrijging van de kleinkinderen mede afhankelijk was van de schuldigerkenning van die vorderingen door tante. Hierdoor was niet aan de eis van art. 10 lid 1 SW voldaan dat de verkrijging verband hield met een rechtshandeling waarbij tante ‘partij’ was. Volgens de Hoge Raad viel de verkrijging onder art. 10 lid 9 SW en was slechts de surplusverkrijging (ad € 10.479) bij de kleinkinderen belast. (HR 22 november 2019, nr 18/03218, ECLI:NL:HR:2019:1838)


Commentaar Jan Beers Bij een ik-opa-clausule wordt de vordering van kleinkinderen bij het overlijden van opa/oma slechts voor de ‘contante’ waarde (= bloot-eigendomswaarde) belast. Bij het overlijden van hun ouder kunnen zij de vordering voor het nominale bedrag opeisen. Door deze opzet wordt – althans dat is de bedoeling – erfbelasting in de nalatenschap van de ouder van het kind bespaard. Een probleem is dat de geldvordering van het kind bij het overlijden van zijn ouder per 1 januari 2010 onder het bereik van art. 10 SW valt. Indien in het testament aan de erfgenaam ‘de last’ is opgelegd om een bedrag aan zijn kinderen schuldig te erkennen, worden de geldvorderingen volledig belast op grond van art. 10 lid 1 SW. Is er sprake van een testament waarin de erflater aan het (klein)kind een bedrag ‘legateert’ dat pas opeisbaar is bij het overlijden van het kind, dan is art. 10 lid 9 SW van toepassing. De vordering wordt in dat geval alleen belast voor zover de nominale waarde van de vordering van het kind groter is dan de waarde van hetgeen zijn ouder (in casu tante) uit de nalatenschap van oma/opa heeft ontvangen. De Hoge Raad oordeelt terecht dat in het berechte geval sprake was van een legaat en dat de verkrijging onder art. 10 lid 9 SW viel. Het testament was in casu duidelijk en bood geen aanknopingspunten voor een andere uitleg (vgl. art. 4:46 BW).

10 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

© 2023 by Kant & Rider. Proudly created with Wix.com

  • Facebook Clean
  • Twitter Clean
  • White Google+ Icon
  • LinkedIn Clean