Zoeken
  • Admin

Overdracht woning aan kind onder voorbehoud van vruchtgebruik

mr. J. Beers (Maquis).


Ouder-kindtransactie: woning vormde bij overlijden fictieve erfrechtelijke verkrijging


Hof Den Haag oordeelt dat de overdracht van de woning van een ouder aan een kind onder de fictiebepaling van art. 10 SW viel, omdat de ouder na de overdracht het genot van de woning tot haar overlijden had gehad en hiervoor geen zakelijke vergoeding had betaald.


Tot haar overlijden woonde de moeder van Veronique in een woning waarvan zij eerder de eigendom aan haar dochter had overgedragen. Omdat moeder voor het gebruik geen vergoeding betaalde, stelde de inspecteur bij het overlijden van haar moeder dat de woning bij Veronique een fictieve verkrijging voor de erfbelasting vormde op grond van art. 10 SW.


De Rechtbank stelde de inspecteur in het ongelijk. Volgens de Rechtbank bleek uit de leveringsakte niet dat moeder de woning had verkocht onder voorbehoud van het recht van gebruik en bewoning. Hierdoor was in juridische zin geen recht van vruchtgebruik gevestigd. Dat moeder tezamen met haar dochter in de woning mocht wonen, kon slechts worden gezien als een persoonlijk gebruiksrecht dat door de dochter aan haar moeder was toegekend. Bij het overlijden van moeder kon de woning daarom niet bij Veronique als een (fictieve) erfrechtelijke verkrijging in aanmerking worden genomen.

In hoger beroep had de inspecteur meer succes. Het Hof oordeelde dat het begrip vruchtgebruik in de Successiewet ruim moest worden uitgelegd. De fictiebepaling van art. 10 SW was niet alleen van toepassing indien juridisch een (volledig) recht van vruchtgebruik of recht van gebruik en bewoning was voorbehouden, maar ook indien ‘economisch’ sprake was van een voorbehouden woongenot. Uit het taxierapport waarop de koopprijs was gebaseerd, kon worden afgeleid dat sprake was een voorbehouden woongenot omdat moeder geen huurprijs hoefde te betalen.


Uit de Successiewet volgde verder dat sprake was een voorbehouden genot indien de erflater voor het gebruik van de woning niet ten minste een vergoeding van 6% van de WOZ-waarde had betaald. Nu moeder niet een dergelijke vergoeding had betaald, vormde woning bij haar overlijden een fictieve erfrechtelijke verkrijging voor de dochter. Volgens het hof was niet van belang dat de dochter tot het overlijden zelf ook in de woning had gewoond. De dochter had immers wegens het (woon)genot van moeder niet het exclusieve gebruik gehad van de woning.

Hof Den Haag 26 april 2019, nr BK-18/00490, ECLI:NL:GHDHA:2019:992


Commentaar Jan Beers: Als een ouder tijdens het leven een woning of een ander vermogensbestanddeel overdraagt aan een kind en het genot (vruchtgebruik of recht van gebruik en bewoning) voorbehoudt, krijgt het kind bij overlijden van de ouder de volledige eigendom. Het vruchtgebruik vervalt namelijk uiterlijk bij het overlijden. Zonder nadere regeling zou deze aangroei niet belast zijn met erfbelasting. De wetgever heeft deze situatie als ongewenst beschouwd. Daarom wordt de overgedragen woning bij overlijden van erflater op grond van art. 10 SW aangemerkt als een fictieve erfrechtelijke verkrijging. Tijdens de herziening van de Successiewet in 2010 is opgemerkt dat de fictiebepaling reeds van toepassing is indien de oudereen beperkt genot heeft voorbehouden (‘een beetje genot is ook genot’). Verder is expliciet in de wet opgenomen dat bij voorbehouden huur, de huurprijs ten minste 6% van de WOZ-waarde dient te bedragen

20 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven

© 2023 by Kant & Rider. Proudly created with Wix.com

  • Facebook Clean
  • Twitter Clean
  • White Google+ Icon
  • LinkedIn Clean