• Johan van de Put

Inzake een arrest over de eis van 'een nieuw feit'




Een aantal opmerkingen inzake een arrest over de eis van ‘een nieuw feit’ (De Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2022:379).


Als de belastingdienst in feite terug wil komen op een aanslag die ze heeft opgelegd door een navorderingsaanslag op te leggen kan dat alleen als er sprake is van ‘een nieuw feit’ dat de belastingdienst nog niet bekend was en ook niet bekend hoefde te zijn toen ze de originele aanslag oplegde. Alleen als er sprake is van ‘kwade trouw’ bij de belastingplichtige dan is een nieuw feit niet nodig. De eis van het nieuwe feit dient de rechtszekerheid voor belastingplichtigen zodat ze weten dat de belastingdienst niet zomaar willekeurig nog jaren later terug kan komen op eerder opgelegde aanslagen en ingenomen standpunten.


Ondanks dat de PG anders geconcludeerd had dat er geen nieuw feit was, en dat navordering niet mogelijk zou moeten zijn heeft de HR anders besloten.

Dit geeft mij een gelegenheid om een aantal zaken uit de uitspraak nader te onderzoeken, temeer daar de cassatieprocedure door mij ingesteld was.


Het belangrijkste element van de uitspraak van de HR is onderdeel:

4.2.1. Beoordeling van de middelen:

De inspecteur mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die de belastingplichtige in zijn aangifte heeft vermeld. Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.


Ik zal aan dit punt aandacht besteden. Om een duidelijk beeld te schetsen is het goed om de procedure te schetsen die een aangifte volgt indien deze geautomatiseerd bij de Belastingdienst ingediend wordt.


  • Na ontvangst van de aangifte wordt er een voorlopige aanslag opgelegd.

  • De aangifte blijft tijdelijk in een reservoir staan alvorens er verdere handelingen plaatsvinden.

  • De aangifte wordt aangeboden aan de selectiemodule.

  • De selectie module bevat regels die op basis van ervaringen van de Inspecteur(s) aangiften uitwerpen waaraan aandacht besteed dient te worden.

  • Vervolgens worden de aangiften die uitgeworpen zijn door een ambtenaar behandeld.

  • Indien na verloop van tijd blijkt dat er teveel aangiften uitgeworpen worden, kan de selectieregel uitgezet dan wel aangepast worden.

  • Na behandeling door een ambtenaar, dan wel na uitzetten van de selectieregel volgt een definitieve aanslag.


Ten aanzien van de overweging van de HR.

4.2.1. “Tot nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot nader onderzoek gehouden indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen.”

Als de selectiemethodiek van de Belastingdienst beoordeeld wordt, dan heeft de Inspecteur geautomatiseerd, middels de selectiemodule, kennisgenomen van de inhoud van de aangifte. En sterker nog: indien er een uitworp plaatsvindt, dan geven de selectieregels, door Inspecteur bedacht, aan dat er redelijkerwijs aan dat onderdeel van de aangifte getwijfeld dient te worden.

Dat de HR vervolgens aangeeft dat “Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn”, is onduidelijk.

Hoe raar ook, alles wat in een aangifte kan staan kan juist zijn, met andere woorden er is altijd een mogelijkheid dat onwaarschijnlijke gegevens juist blijken te zijn. Deze redenatie kan volgens mij dan ook niet leiden tot het afwijzen van het cassatieverzoek.


In de uitspaken waarnaar verwezen wordt speelt de selectiemodule geen rol, deze kunnen dan ook niet als onderbouwing dienen voor het door de HR ingenomen standpunt. De conclusie van de HR in de uitspraken waarnaar verwezen wordt, is “Voor dergelijke twijfel is geen aanleiding indien de niet-onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn”. Nu de selectiemodule de post heeft uitgeworpen, is er volgens de belastingdienst en dus volgens Inspecteur een redelijke twijfel aan de juistheid van het betreffend onderdeel waarop de aangifte wordt uitgeworpen.


Verder is het nog van belang te wijzen op het uitzetten van selectieregels.

Indien een selectieregel te veel uitworp geeft dan kan deze uitgezet worden, ik ben van mening dat deze handelswijze strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel. Ik zal een en ander met voorbeeld trachten te verduidelijken.

Stel er wordt op 1 april 2022 een aangifte ingediend met een verlies uit “ter beschikkingstelling” van € 5.000, ten tijde van het indienen van deze aangifte heeft de Belastingdienst de grens voor het TBS-verlies ingesteld op € 4.000, met als gevolg dat deze aangifte wordt uitgeworpen. Indien het verlies onterecht is, wordt dat gecorrigeerd. Indien nu blijkt in oktober 2022 dat er wel heel veel aangiften uitgeworpen worden met deze regel, dan kan de Belastingdienst besluiten om deze regel uit te zetten. Een even onterecht TBS-verlies van € 5.000 wordt nu gewoon automatisch afgedaan. Volgens mij is dat overduidelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel.


Mocht de HR van mening zijn dat een uitworpreden geen aanleiding is voor de Inspecteur om de aangifte te onderzoeken, dan neemt zij voor mijn gevoel een groot deel van het nieuwe feit dat nodig is voor navordering weg. Daarmee wordt de positie van belastingplichtigen behoorlijk verzwakt. Wellicht dat het dan aan de wetgever is om de Inkomstenbelasting om te vormen naar een afdrachtbelasting onder het motto ‘eerlijker willen we het niet maken, wel makkelijker’.


18 weergaven

Recente blogposts

Alles weergeven
logo alleen Maquis def kopie.jpg